Parelend Sri Lanka

Parelend Sri Lanka

Tekst: 

Toni De Coninck

Van alle reisadviezen in ‘Lonely Planet Sri Lanka’ is er één die me het meest verrast: ‘werk aan je chili-tolerantie voor je vertrekt.’ Het staat er, zomaar, zwart op wit, tussen de consulaire adressen, de muggenmelk en de wolletjes voor een kille avond in de bergen. De Srilankaanse keuken leek me te worden bereid met de mildheid van een tropische regenbui, het vloksel van geraspte kokosnoot, vis en schaaldieren uit de lauwwarme Indische Oceaan. Maar nee, aldus nog een andere bron: ‘Sri Lanka is het enige land ter wereld waar zelfs de mango’s en papaja’s op straat met chili worden geserveerd.’

Gat in de tong
Ik word die ochtend, in Kandy, niét wakker met een gat in mijn tong, en dat is volgens gids Sarath toe te wijzen aan mijn bovennatuurlijke voorliefde voor rode rijst en pappadums. ‘Drink nooit water als je maaltijd spicy is. Dat versterkt het hete gevoel. Brood, rijst, yoghurt en andere neutrale smaken zijn veel beter geschikt.’ Kandy ligt een meter of 500 hoger dan – voor de vuist weg – Colombo, waardoor het in de toeristenvolksmond gemakshalve tot “het gebergte” wordt gerekend. Ook Sarath praat lyrisch: stadsbewoners zouden op hete en vochtige dagen hun toevlucht nemen tot het verfrissende klimaat van de oud-Singalese hoofdstad. (De Britten namen de stad in 1815 na drie eeuwen strijd over van de Portugezen en de Hollanders. Het duurde nog zestien jaar vooraleer ze een weg bouwden naar Colombo. Die weg ligt er nog altijd.)

De hel
Om een uur of vijf in de namiddag breekt de hel los. Het hele verkeer – bussen, riksja’s, tuktuks, vrachtwagens, ezels, echte en die aan het stuur – wordt aan een rotvaart door de inmiddels kolkende hoofdstraat Dalada Vidiya gewurmd. Ik poog tot drie keer toe een zebrapad te betreden bij groen licht, maar krijg eerst een hevig balkende agent en daarna ook de rest van de stad achter me aan. Sarath wil dat ik naar het dansspektakel ga, en dan pas langs de oevers van het meer naar de tempel van de gouden tand wandel. Het spektakel is zoals het de voorbije jaren altijd is geweest: kleurrijk, met trommels, draaiende schotels en een portie vuurwerk aan het eind. Alleen de meisjes hebben wat aan omvang gewonnen – ‘pappadums,’ zegt Sarath.
We schrijden uiteindelijk in het gezelschap van enkele honderden anderen, Noren, Chinezen, enkele Noord-Amerikanen, veel Fransen naar het kloppende hart van de tempel, daar waar het relict van Boeddha wordt bewaard en ’s avonds met de nodige eer te rusten wordt gelegd. De ceremonie ontneemt me de adem: ze is luidruchtig, opzwepend, maar tegelijk ook stoïcijns en hartelijk. De tand van Boeddha wordt écht ondergestopt. En te eten gegeven. En waarschijnlijk ook nog bezongen, maar dat zien we niet omdat het gouden portaal keer op keer sluit, én omdat het kleinood in maar liefst zeven in elkaar passende schrijnen zit. Buiten worden honderden kaarsjes aangestoken, en ik vind het oprechte en eerlijke geluk van de kinderen die dat doen nog het allermooiste van de hele ceremonie.

 

Deel dit artikel: Facebook Twitter Twitter

Tags: 

Naar Sri Lanka!